Wandeling door Veere
Veere is een stadje met een roemrijk verleden. Het telt nu nog slechts zo’n 1000 inwoners, maar in de bloeitijd, tussen de jaren 1400 en 1600 leefden hier meer dan 5000 mensen. Met name het Huys van Borssele en daarna het Bourgondische Huys hebben Veere groot gemaakt en er de sierlijke gebouwen gesticht, die thans nog te bewonderen zijn. Deze gebouwen geven uitdrukking aan de macht en de rijkdom, die het alleenrecht van de wolimport uit Schotland, "de stapel" destijds aan Veere bezorgde. Er was in die dagen een Schotse nederzetting in Veere, waaraan thans nog de waterput (Cisterne) naast de Grote Kerk herinnert. De stad was goed versterkt en telde 8 grote en kleine poorten, die nu zijn verdwenen. De stadswallen en versterkingen, die zijn aangelegd door Vauban, zijn nog in goede staat. De ingang van de haven werd bewaakt door twee enorme bastions, de Noorder- en de Zuiderhaventoren, die ook op het stadswapen te zien zijn.
De wandeling begint op de markt bij ‘t Waepen van Veere. Vanaf hier steekt met de markt schuin over het vuilstraatje in. Rechtdoor de dijk oplopend heeft men hier een prachtig uitzicht over het Veerse-Meer en op het tegenovergelegen Noord-Beveland. Het Veerse Meer ontstond in het kader van het Deltaplan toen nabij Veere een dam werd gelegd, die het Veerse Gat, een open zeearm afsneed. Oostelijk werd eveneens een dam gebouwd in de Zandkreek. Het Veerse Meer heeft een lengte van ruim 22 kilometer en een breedte, die varieert van 150 tot 1500 meter. Het is sindsdien een bekend internationaal georiënteerd watersportgebied met tal van moderne jachthavens en andere watersportaccommodatie.
Links staat de Campveerse Toren, de vroegere Zuiderhaventoren. Dit gebouw is de oudste stadsherberg van Nederland en dateert uit de 15e eeuw. Eertijds vierde hier Prins Willem van Oranje zijn huwelijk met Charlotte de Bourbon. Linksaf slaand komt men op de Kade waar prachtige gotische huizen staan, die elk op zich een juweeltje van bouwkunst zijn. Het laatste pand aan de rechterzijde is de voormalige vismijn, die nadat de vissersvloot Veere moest verlaten, vanwege de afsluiting van het Veerse Gat, een nieuwe functie als clubhuis van de Jachtclub Veere kreeg, links staat een klein pandje, dat getuige de gevelsteen ooit het woonhuis was van Valerius, de vaderlandse dichter. Verderlopend passeert men de "Schotse Huizen", het "Lammetje" en de "Struys" genaamd. Dit waren vroeger stapelhuizen en kantoren van de toenmaals in Veere gevestigde Schotse wolhandelaren. De "Schotse Huizen" zijn nu ingericht als museum. Tot de collectie behoort o.m.: Zeeuwse kostuums, antieke meubelen, boekwerken en visserij attributen. Het museum is alleen gedurende de zomermaanden geopend. Rechts ligt de oude Vissers haven van Veere. Zoals gemeld moesten de garnalenvissers hier, na de afsluiting van het Veerse Gat verdwijnen. Zij kregen een nieuwe vissershaven in Colijnsplaat op Noord-Beveland. Sedertdien is de haven in gebruik als jachthaven. Wanneer men de Kade afloopt kan men de prachtige gevels bewonderen. Na de Kade bezichtigd te hebben rechtsaf de Markt op. Rechts staat dan het Stadhuis, dat dateert uit 1470 en is opgetrokken in Gotische stijl. Het is een verkleinde kopie van het Middelburgse stadhuis, maar strakker van lijn. Met de bouw is tussen 1470 en 1477 onder Hendrik IV van Borssele begonnen. Evenals in Middelburg staan ook hier beelden in de voorgevel. Het zijn de zeven voormalige heren en vrouwen van Veere uit het Huys Borssele en Bourgondië.
Het Stadhuis, dat niet meer als zodanig wordt gebruikt, heeft een sierlijke Renaissance toren, die gebouwd werd door Bouwmeester Andriaan de Muer uit Brugge. De toren kwam in 1599 gereed en heeft een carillon dat werd gegoten door Pieter van den Gheijn (1735). De windvaan op de torenspits is een viermasterschip met bovenin de wapens. van de Van Borsseles, Oranje en Zeeland. Rond de Markt zijn verder nog verschillende fraaie patriciërswoningen te bezichtigen. Direct voorbij het Stadhuis rechtsaf de Stadhuisstraat in. Omkijkend heeft men dan het zicht op de achterzijde van het Stadhuis en de toren. Aan het einde van de straat linksaf. Men komt dan bij het grootste gebouw van Veere, de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Het is een zowel door verval als door bederf wat ontluisterd gebouw dat dateert uit 1348. Volgens de kroniekschrijvers moet het interieur erg imposant geweest zijn. In 1479 gaven de Magistraten van Veere de bouwmeester Antoon Keldermans, zelfs de opdracht voor de bouw van een toren, die driemaal zo hoog moest worden dan de tegenwoordige. Men is echter hiermee nooit verder gekomen dan de huidige hoogte. De kerk heeft een zeer bewogen geschiedenis. In 1686 werd zij grotendeels verwoest door brand, doch onmiddellijk daarna hersteld. In 1809 gebruikten de Engelsen haar gedurende de beruchte Walcherse expeditie, waarna Napoleon haar in 1811/1812 gebruikte als kazerne en hospitaal. Hierbij werden de glas-in-lood ramenvernield en vijf vloeren in schip en dwarsbeuk aangelegd; deze laatste zijn thans weer verwijderd. Nadat de Fransen de kerk in desolate toestand hadden achtergelaten, is het gebouw nog gebruikt als werkhuis(1866) en als kazerne voor het Veerse garnizoen. In 1930 is men met de restauratie begonnen, die na de oorlog is voortgezet. Tegenwoordig word de kerk gebruikt als expositieruimte en geeft men er regelmatig een concert. Tegenover de kerk staat een sierlijk gebouwtje met een puntig toelopend dak, gedragen door ranke zuilen. Het is de Stadsput of Cisterne, het enige monument van deze aard in ons land. Het bevat een ondergrondse vergaarbak voor tweeduizend hectoliter regenwater, dat van het kerkdak wordt opgevangen. Deze Cisterne werd in 1551 op last van Maximiliaan van Bourgondië gebouwd voor de Schotse kooplieden, die geklaagd hadden, over de slechte watervoorziening in de stad, om hun wol te wassen.
De straat verder uitlopend komt men via de poort, rechts van het VVV kantoor, (die vroeger als tolhuis dienst deed) achter om de kerk lopen en via een klein poortje rechtdoor richting de kade. 20 meter voor de kade gaat men rechtsaf de Simon Oomstraat in. Hier zijn de oude tuinmuren te bewonderen en is rechts een pottenbakker en een kunstschilder gevestigd. Aan het eind gaat men rechtsaf en dan gelijk weer linksaf het Stadhuisstraatje in, waarna men op de Markt uitkomt en de wandeling eindigt.